|
Bonjour mon
coeur,
bonjour ma douce vie
Bonjour mon oeil,
bonjour ma chère amie!
Hé! Bonjour ma toute belle,
Ma mignardise, bonjour
Mes délices, mon amour,
Mon doux printemps, ma douce fleur nouvelle,
Mon doux plaisir, ma douce colombelle,
Mon passereau, ma gente tourterelle!
Bonjour ma douce rebelle.
|
Goedemorgen, mijn liefje, goedemorgen mijn zoete leven, Goedemorgen, mijn oogappeltje,
goedemorgen, mijn lieve vriendin,
Ha, gegroet, mijn allermooiste,
mijn bevallige, goedemorgen,
Mijn heerlijkheid, mijn liefde,
Mijn fijne lente, mijn frisse, nieuwe bloem
Mijn lieve vreugde, mijn zoete duifje
Mijn vogeltje, mijn zachte tortelduifje
Goedemorgen, mijn lieve ondeugd. [Pieter-Jan]
|
|
Calme des nuits, fraîcheur des soirs,
Vaste scintillement des mondes,
Grand silence des antres noirs
Vous charmez les 6ames profondes.
L’éclat du soleil, la gaité,
Le bruit plaisent aux plus futiles;
Le poète seul est hanté,
Par l’amour des choses tranquilles.
|
Stilte van de nacht, koelte van de avond,
Weidse flonkering van de wereld,
Diepste stilte van de donkere holen,
Jullie betoveren de gevoelige zielen.
Fel zonlicht, vrolijkheid,
Lawaai zijn het genoegen van de oppervlakkigen;
Alleen de dichter heeft de beheersing
van de liefde voor rustige dingen
|
|
Ce moys d,e
may
ma verte cotte je vestiray.
De bon matin me lèveray,
ce joly moys de may.
Un sault, deux saults, trois saults,
en rue je feray,
Pour voir si mon amy verray.
Je luy diray qu'il me descotte;
Me descottant le baiseray.
|
Deze maand mei
zal ik mijn groene rok dragen
vroeg in de ochtend, zal ik opstaan
in deze mooie maand mei
één sprongetje, twee sprongetjes, drie sprongetjes
de straat opgaan
om te kijken of ik mijn vriend zie
ik zal hem zeggen mijn rok uit te trekken
terwijl hij hem uittrekt, zal ik hem kussen.
|
Des pas dans
l’allée
Tombez, souvenirs,
Tombez feuille à feuille,
Faites un tapis
de vos ors défunts.
Les fleurs reviendront
pleurer leur parfums,
mais reverrons nous
celle qui les cueille?
Vers quel silence?
En quelle allée
S’est elle en beua soir allée?
Dormez, feuilles d’or,
Parmi l’avenue,
Gardez dans vos plis
le pli de ses pas.
Celui-ci plus las
Inclinait plus bas
Son âme vers moi
qui l’ai méconnue.
Vers quel …
Tombez, souvenirs!
Glissez feuille à feuille,
Recouvrez ses pas
de vos ors défunts.
D’autres fleurs viendront
pleurer leurs parfums!
Mais plus ne viendra
celle qui les cueille!
Vers quel …
|
Voetstappen in de laan
Val maar, herinneringen,
Val maar, blaadje voor blaadje,
Maak maar een bedje
van je vergane gouden glorie.
De bloemen zullen weer
over hun geuren komen treuren,
maar zullen we ooit de
vrouw die ze plukt weerzien?
Naar welke stilte,
Welke laan
is ze op een mooie avond heen gegaan?
Slaap maar, gouden bladeren,
midden op de straat,
Bewaar in je plooien
De vouw van je voetstappen.
Vermoeider nog boog deze
zijn ziel dieper naar mij toe,
Naar mij die haar
te slecht heeft gekend.
Naar welke …
Val maar herinneringen,
Val zachtjes, blaadje voor blaadje,
Bedek haar voetstappen
met je vergane glorie.
Andere bloemen zullen
over hun geuren komen treuren!
Maar degene die ze plukt
zal niet meer komen.
Naar welke …
|
Je ne l’ose dire
La, la, la, je ne l'o… je ne l'o…
je ne l'ose dire.
La, la, la, je le vous dirai,
et la, la, la, je le vous dirai.
Il est un homme en not' ville
qui de sa femme est jaloux.
Il n'est pas jaloux sans cause,
mais il est cocu de tout. La, la, la…
Il n'est pas jaloux sans cause,
mais il est cocu de tout.
Il aprete et si la mene
au marche s'en va a tout. La, la, la…
|
La, la, la, zou het niet moeten vertellen, Zou het niet moeten vertellen, zou het je niet moeten vertellen
La la la, ik zal het je toch vertellen
Oh la, la, la, ik zal het je toch vertellen
In onze stad is er een man, die
Van zijn vrouw brandt van jaloezie
Hij is niet zonder reden jaloers,
Ze bedriegt hem onophoudelijk. La, la, la…
Hij is niet zonder reden jaloers,
Ze bedriegt hem onophoudelijk
Hij neemt haar mee naar de markt
Als ze daar is, maakt ze het meeste vrij La, la, la…
|
Les feuilles mortes
C'est une chanson, qui nous ressemble
Toi qui m'aimais, moi qui t'aimais
Nous vivions, tous les deux ensemble
Toi qui m'aimais, moi qui t'aimais
Et la vie sépare ceux qui s'aiment
Tout doucement, sans faire de bruit
Et la mer efface sur le sable
Les pas des amants désunis
|
Het is een lied dat ons weerspiegelt
Jij die van mij hield, ik die van jou hield
We leefden samen, wij tweeën
Jij die van mij hield, ik die van jou hield
Maar het leven scheidt hen die van elkaar houden
Zachtjes, zonder een geluid
En de zee wist van het zand
De voetstappen van de gescheiden geliefden
|
Les fleurs et les
arbres
Les fleurs et les arbres,
Les bronzes, les marbres,
Les ors, les émaux,
La mer, les fontaines,
Les monts et les plaines
Consolent nos maux.
Nature éternelle,
Tu sembles plus belle
Au sein des douleurs!
Et l’art nous domine,
Sa flamme illumine
Le rire et les pleurs.
|
Bloemen en bomen
Bloemen en bomen,
Bronzen en marmeren beelden,
Goud, emailwerk,
Zee, fonteinen,
Bergen en dalen
Verzachten onze pijn.
Eeuwige natuur,
Jij lijkt mooier
Middenin pijn en smart!
En de kunst heeft ons in haar greep,
Haar gloed verlicht
onze lach en onze tranen.
|
|
Lucescit iam o
socii,
nous tardons trop à déjeuner,
habemus tantum ocii,
que ferions-nous jusqu'au diner?
Iam parata sunt omnia,
mettons-nous à table en bonne heure.
Si quis quaeret, quare?
Qui a trop jeûner aporte douleur.
Nunc bibamus non segniter,
c’est trop manger sans boire un coup.
Bibamus bis, ter et quater,
puis chanterons "or sus à coup".
Non habentes pecuniam,
l’hoste dira ce qu’il voudra.
Ite per aliam viam,
on le payra quand on pourra.
|
O metgezellen, het wordt al dag.
We dralen te lang om te gaan ontbijten
We hebben zoveel tijd
Wat zouden we doen tot aan het middagmaal? Alles is al klaar.
Laten we vroeg aan tafel gaan zitten
Als iemand vraagt waarom?
Omdat te veel vasten narigheid met zich meebrengt.
Laten we nu aan ’t drinken gaan en niet te aarzelend.
Eten zonder te drinken gaat ons petje te boven.
Laten we tweemaal, driemaal en viermaal het glas heffen en dan:
“kom op! Ad fundum” zingen.
We hebben geen geld
en de gastheer zal zeggen wat hij wil opstrijken.
Maak je dan via een andere weg maar uit de voeten, we zullen hem wel betalen als we kunnen.
[Pieter-Jan]
|
Margot labourez les vignes,
vigne, vigne, vignolet,
Margot, labourez les vignes bientôt.
1 En revenant de Lorraine,
Rencontrai trois capitaines.
1a Ils m’ont saluée vilaine,
Je suis leurs fièvres quartaines.
2 Je ne suis pas si vilaine,
Puisque le fils du roi m’aime.
2a & 3 Il m’a donné pour étrenne,
Un bouquet de Marjolaine.
3a S’il fleurit je serait reine,
S’il y meurt je perds ma peine.
|
Margot, bewerk je wijngaard maar met zorg,
Margot, bewerk toch goed je grond.
1. Terugkerend uit de Lorraine,
Ontmoette ik drie kapiteins,
1a. Ze noemden mij een boerin,
ik ben hun kwartakker koorts.
2.. Maar ik ben niet zo'n boerin,
want de koningszoon houdt van me,
2a & 3. hij gaf me als cadeau
een bos marjolein.
3a. Als het bloeit, word ik koningin;
als het verwelkt, verspil ik mijn moeite.
|
|
Mille regretz de vous
habandonner,
Et deslonger vostre fache amoureuse,
Jay si grand dueil et paine douloureuse,
Quon me vera brief mes jours definer.
Josquin Desprez [±1450/55-1521]
Les miens aussi brief verras decliner,
Voiant au vray que fortune envieuse,
De nostre amour veult estre curieuse,
Par ung deppart le faire decliner.
Tielman Susato
|
Het is met groot verdriet dat ik u moet verlaten,
Dat ik afscheid moet nemen van uw lief gezicht.
Mijn smart en zielepijn is zo groot
dat je zult zien dat mijn dagen geteld zijn.
Je zult ook mijn dingen ten einde zien lopen
Als je in werkelijkheid ziet dat het afgunstige geluk
Van onze liefde nieuwsgierig wil zijn, en vanwege m´n vertrek zal het minder worden!
|
|
Que null' étoile sur nous ne vienne plus se
montrer , que chaque flambe des cieus de honte voize rendant a son soleil sa clairté.
2. O lune, lune vient en desous le roe de latmos
avec le pâtre gentil qui tant te piût,
que dormant le vins souvent rebaizer.
3. Fébus délaisse ton char revien te faire pasteur,
et beufs et vaches garder com' autrefois tu faizois
d'amour touche pour admét.
4. O toy mon heur et seul bien d'amour l'étoille plaizant, de tes rayons si tré beaus penétre moy iusqu 'au coeur, et pren pitié de mon mal.
Laisse la dance des cieus, ma bell éteint ta clairté.
|
Laat geen enkele ster zich meer aan ons vertonen.
Laat zien dat elk hemels, helder vlammend vuur uit schaamte zijn licht aan de zon teruggeeft.
2. O maan, maan, kom onder het rotsgebergte van Latmos vandaan met de herdersjongen die jou zo behaagde dat je hem in zijn slaap vaak opnieuw een
kus kwam geven.
3. Phoebus, verlaat je zegenkar en word opnieuw herder en ga runderen en koeien weiden zoals je dat vroeger uit liefde deed.
4. O jij, mijn geluk en enige ster waarvan de liefde mij behaagt, laat je zo mooie stralen tot in mijn hart doordringen en heb medelijden met mijn
(liefdes)pijn.
Laat de dans der hemelen, mijn lief dooft je helder licht.
|
|
Sous le ciel de
Paris s'envole une chanson,
Elle est née aujourd'hui dans le coeur d'un garçon.
Sous le pont de Bercy un philosophe assis,
Deux musiciens, quelques badauds Puis les gens par milliers,
Sous le ciel de Paris jusqu'au soir vont chanter,
La joie d'un peuple épris de sa vieille cité.
Ah ah Ouh ouh Paname
Tout peut s'arranger Quelques rayons du ciel d'été
L'accordéon d'un marinier L'espoir fleurit Au ciel de Paris
Sous le ciel de Paris coule un fleuve joyeux,
Il endort dans la nuit les clochards et les gueux, les clochards et les gueux,
et le ciel de Paris a son secret pour lui
Depuis vingt siècles, il est épris de notre île Saint Louis
Quand elle lui sourit il met son habit bleu,
Quand il pleut sur Paris c'est qu'il est malheureux,
et menaçant
Mais le ciel de Paris n'est pas longtemps cruel,
Pour se faire pardonner il offre un arc en ciel.
|
Onder de Parijse hemel stijgt een lied op,
Het werd vandaag geboren in het hart van een jongen.
Onder de Bercybrug zit een filosoof,
Twee muzikanten, een paar toeschouwers, Dan duizenden mensen,
Onder de Parijse hemel, tot de avond, zullen ze zingen,
De vreugde van een volk dat verliefd is op hun eeuwenoude stad. Ah ah, Ooh ooh, Parijs!
Alles kan hersteld worden, een paar zonnestralen uit de zomerhemel. Een accordeon van een schipper, hoop bloeit op in de Parijse hemel
Onder de Parijse hemel stroomt een vrolijke rivier,
Hij wiegt de zwervers en bedelaars 's nachts in slaap, de zwervers en bedelaars,
en de Parijse hemel bewaart zijn geheim voor hem
Al twintig eeuwen is hij verliefd op ons Île Saint-Louis
Als hij hem toelacht, trekt hij zijn blauwe jas aan,
Als het regent in Parijs, is dat omdat hij ongelukkig is,
en bedreigend
Maar de Parijse hemel is niet lang wreed,
Om vergeven te worden, biedt hij een regenboog.
|
Tourdion
Quand je bois du vin clairet,
ami tout tourne.
Aussi désormais
je bois Anjou ou Arbois
Chantons et buvons, à ce flacon
faisons la guerre,
chantons et buvons mes amis,
buvons donc!
[Pierre Attaingnant]
|
Als ik heldere wijn drink,
draait me alles,
voortaan drink ik dan ook alleen
maar Anjou, of Arbois
laten we zingen en drinken op deze fles,
laten we de fles soldaat maken
zing en drink vrienden,
laten we toch drinken!
|